Foutmelding

Deprecated function: The each() function is deprecated. This message will be suppressed on further calls in _menu_load_objects() (regel 579 van /var/www/vhosts/assurantiesverheecke.be/httpdocs/includes/menu.inc).

Vrij Aanvullend Pensioen voor Werknemers (VAPW)

Op 27 december 2018 werd de wet gepubliceerd die het Vrij Aanvullend Pensioen voor Werknemers (VAPW) invoert. Deze wet treedt in werking 3 maanden na de publicatie, m.a.w. op 27 maart 2019. Deze nieuwe regeling maakt het voor een werknemer mogelijk een aanvullend pensioen op te bouwen ingeval de werknemer nog geen of slechts een beperkt aanvullend pensioen opbouwt bij zijn of haar werkgever. De opbouw van het VAPW zal gebeuren via netto-inhoudingen op het loon. We zetten de voorwaarden en modaliteiten van deze regeling voor u op een rij.

Initiatief van de werknemer

Het is de werknemer die het initiatief neemt om met een pensioeninstelling van zijn keuze een pensioenovereenkomst af te sluiten om een aanvullend pensioen op te bouwen. De werknemer is steeds verzekeringnemer, nooit de werkgever. Het is ook de werknemer zelf die autonoom beslist of hij vrij aanvullend pensioen wil opbouwen via VAPW, hoeveel bijdragen hij daarvoor wenst te storten (binnen de grenzen van het maximaal toegelatene), welke type spaarproduct (bv. tak 21 of tak 23) hij verkiest en met welke pensioeninstelling hij in zee gaat.

Hoogte van de bijdragen

Om de hoogte van de toegelaten bijdragen te bepalen, moeten 2 zaken in rekening gebracht worden: enerzijds is er een maximaal toegelaten bijdrage en anderzijds dient deze maximale bijdrage nog verminderd te worden met de rechten opgebouwd via het aanvullend pensioenplan van de werkgever.

Maximaal toegelaten bijdrage

De bijdragen voor het VAPW worden ingehouden op het nettoloon van de werknemer via de werkgever. De werknemer mag niet onbeperkt storten in het VAPW-contract. De bijdrage is immers beperkt tot maximum 3% van het referentieloon of tot maximum 1.600 EUR als 3% van het referentieloon lager zou zijn dan 1.600 EUR.

Het referentieloon wordt berekend op basis van de totale brutoverloning onderworpen aan de sociale zekerheidsbijdragen die de werknemer kreeg het tweede jaar voorafgaand aan de pensioenopbouw.

Vermindering met aanvullend pensioenplan van de werkgever

Van de toegelaten bijdragen dienen dan ook nog de pensioenrechten te worden afgetrokken die al via het pensioenplan van de werkgever werden opgebouwd tijdens de referentieperiode. Als er via de werkgever (persoonlijk + patronaal) al 3% van het referentieloon of 1.600 EUR (afhankelijk van wat het hoogst is) wordt gestort, zal er geen VAPW-storting meer mogelijk zijn.

(Para)fiscaliteit van de bijdragen en de uitkering

In onderstaand schema vindt u een overzicht van de (para)fiscale lasten en aftrekken op de bijdragen en de uitkering. We maken ook een vergelijking met het pensioensparen. Daaruit blijkt dat de fiscaliteit van het pensioensparen iets voordeliger is.

Rol van de werkgever in het kader van het VAPW

Wanneer de werknemer gebruik wenst te maken van het VAPW, dan dient de werknemer dat minstens 2 maanden op voorhand te melden aan de werkgever, zodat de werkgever het nodige kan doen om de inhoudingen via het nettoloon in orde te brengen. Ook in geval van wijziging of stopzetting van zijn pensioenovereenkomst dient de werknemer deze periode van 2 maanden te respecteren. Tevens mag de werknemer maximum 2 wijzigingen per kalenderjaar doorgeven.

Als werkgever beperkt uw rol zich tot het inhouden en doorstorten van de bijdragen aan de pensioeninstelling, wat op zich wel een bepaalde administratieve last met zich meebrengt voor de werkgever. Het VAPW valt echter niet onder de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) en bijgevolg heeft de werkgever geen enkele verplichting die uit de WAP voortvloeit (m.a.w. geen formaliteiten bij uittreding, geen rendementsgarantie,…).

Om de administratieve last te verminderen, kan u er als werkgever voor opteren om een kaderovereenkomst te sluiten met een specifieke pensioeninstelling waarbinnen dan individuele overeenkomsten tot stand kunnen komen. Dit is geen verplichting van de werkgever. Evenmin kan de werknemer ertoe verplicht worden om gebruik te maken van de kaderovereenkomst. De werknemer kan er steeds voor opteren om beroep te doen op een andere pensioeninstelling

 

Bron: VANBREDA RISK & BENEFITS
Gepost op 12/03/2019

Share